Onderwijsregio terug- en vooruitblik

Met de start van de Onderwijsregio Almere – Lelystad in 2025 brak een nieuwe fase aan in de regionale aanpak van het lerarentekort. Nu, aan het eind van dat eerste jaar, loopt ook het convenant lerarentekort Almere po in zijn huidige vorm af. De aanpak zelf stopt echter niet: alle succesvolle maatregelen, structuren en netwerken gaan per 1 januari 2026 verder binnen de Onderwijsregio.

Voor programmamanager Esther Luiting, die de afgelopen jaren het convenant leidde, betekent dit tegelijkertijd het einde van haar opdracht. Samen met programmamanager Willemijn Kienhuis blikt ze terug op 2025 en vooruit op 2026, het jaar waarin Willemijn bovendien het stokje overdraagt aan Christa Compas, de nieuwe programmadirecteur.

Een jaar van bouwen en verbinden

Sinds 1 januari 2025 maken Lelystad en Almere samen deel uit van de Onderwijsregio. Dat bracht volgens Willemijn een nieuwe dynamiek. “Almere had in het po al een stevige infrastructuur opgebouwd. Korte lijnen, veel vertrouwen, jarenlange samenwerking. Met Lelystad erbij én de verbreding naar vo en mbo ontstond een bredere regio. De uitdaging was: hoe doe je recht aan beide steden en alle sectoren, zonder de vaart uit de lopende projecten te halen?”

Het convenant stopt, maar de aanpak leeft voort in de Onderwijsregio

Volgens beiden zijn er dit jaar grote slagen gemaakt. Bestuurders, opleidingen en gemeenten stelden gezamenlijk een meerjarenplan op. Er kwam een bestuurlijke kerngroep met brede vertegenwoordiging en Lelystad integreerde in lopende projecten uit het convenant, zoals de inductieprogramma’s en zij-instroomtrajecten. Esther: “Het is heel waardevol dat we de programma’s nu regionaal inzetten. De uitwisseling van ervaringen en kennis is een enorme kracht.”

Een aanpak die blijft

Het convenant lerarentekort Almere po loopt af, maar de aanpak gaat door binnen de Onderwijsregio, onderstreept Willemijn. “Er is veel opgebouwd waar we nu op kunnen voortbouwen.” Esther vult aan: “Het convenant heeft echt een cultuurverandering gebracht. Je voelt de loyaliteit tussen besturen en de gezamenlijke verantwoordelijkheid. Dat moeten we koesteren.”

De resultaten zijn zichtbaar. Uit de Zelfevaluatie Noodplan G5 Almere blijkt dat de vijf convenantsmaatregelen aantoonbaar bijdragen aan instroom, behoud en werkdrukverlaging in het primair onderwijs, onder meer door de inzet van andere professionals binnen het onderwijssysteem.

De vijf maatregelen

  1. Inductie
    Om startende leraren goed te ondersteunen, ontwikkelden de schoolbesturen in Almere een gezamenlijk inductieprogramma. Dit bestaat uit een herkenbaar inductietraject, netwerkbijeenkomsten, gastsprekers en professionele begeleiding op de werkvloer. Starters voelen zich hierdoor sneller thuis en verbonden met collega’s en de stad. Het uitvalspercentage is laag (minder dan 10%) en de bijdrage aan professionalisering en onderwijskwaliteit is groot.
  2. Extra ondersteuning in en om de klas
    Jeugdverpleegkundigen, jeugdhulpverleners, pedagogisch conciërges en andere ondersteuners verlagen de druk op leraren. Dit is essentieel in een stad met een bovengemiddelde zorgvraag onder leerlingen en geeft leraren meer ruimte voor hun kerntaak: lesgeven.
  3. Professionaliseren OOP
    Met 59 afgestudeerde leraarondersteuners groeide deze maatregel uit tot een van de meest succesvolle pijlers van het convenant. Zij draaien groepen, ondersteunen leerkrachten en een deel stroomt door naar de pabo. Dit zorgt voor verlichting in de klas én loopbaanperspectief voor onderwijsassistenten.
  4. Anders organiseren: van experiment naar vaste werkwijze
    Scholen zetten steeds vaker anders bevoegde en anders bekwame professionals in. In 2023–2024 werden ruim 7.800 uur ‘anders georganiseerd’ onderwijs gerealiseerd. Dit versterkt het curriculum en verlaagt de werkdruk. Almere geldt hiermee landelijk als voorbeeldstad.
  5. Zij-instroom als structurele pijler
    Gezamenlijke werving, selectie en begeleiding zorgen voor lage uitval en een stabiele instroom van nieuwe leraren. In vier jaar tijd startten ruim honderd zij-instromers; achttien studeerden afgelopen jaar af en nog eens 35 zijn in opleiding.

Een stevig samenwerkingsnetwerk

Besturen, opleidingen en gemeenten werken intensief samen. Dit levert korte lijnen, expertise-uitwisseling en solidariteitsafspraken op, waardoor scholen elkaars kennis en capaciteit beter kunnen benutten.

De contouren staan, nu is het tijd voor verdieping.

Afronding van het convenant

Met het aflopen van het convenant eindigt ook Esthers opdracht als programmamanager. “Ik ben supertrots. We hebben een hecht team gevormd waarin vertrouwen, solidariteit en flexibiliteit centraal staan. Dat dit nu een stevige plek heeft binnen de Onderwijsregio voelt als de kroon op ons werk.” Willemijn vult aan: “De resultaten laten zien dat dit soort trajecten een lange adem vragen. Daarom is het zo waardevol dat deze aanpak vanaf 2026 onderdeel wordt van de meerjarige onderwijsregioregeling.”

Nieuwe programmadirecteur

Vanaf 1 februari 2026 draagt Willemijn het stokje over aan Christa Compas. Zij vertegenwoordigde eerder de Realisatie-Eenheid in de stuurgroep en adviseerde meerdere onderwijsregio’s. Christa brengt brede ervaring mee als onder meer bestuurder in het vo, bedrijfsvoeringsdirecteur bij een ROC, leraar, leidinggevende bij de AOb en toezichthouder in het sociaal domein.

“Ze kent de regio en begrijpt de landelijke dynamiek,” aldus Willemijn. Esther ziet een duidelijke opdracht: “De balans vinden tussen doorontwikkelen en behouden wat al sterk is. En vooral blijven verbinden.”

Toekomstgericht organiseren

De lerarentekorten blijven groot. Instroom en behoud blijven cruciaal, maar toekomstgericht organiseren is bepalend. Willemijn: “In Almere hebben we veel geleerd over anders organiseren. De vraag is nu welke landelijke regelruimte nodig is om dit duurzaam te borgen.” Esther: “Uiteindelijk draait het om goed onderwijs voor iedere leerling. Ik hoop dat professionals in 2026 merken dat de Onderwijsregio hen echt ondersteunt: minder werkdruk, meer handen en betere begeleiding.”

Inspirerend

Voor Esther markeert deze overgang het einde van een intensieve en leerzame periode. “Het heeft me enorm verrijkt, zowel professioneel als persoonlijk.” Ook Willemijn kijkt tevreden terug: “Je ziet hoe landelijk beleid lokaal landt en hoe partners vanuit een gedeelde urgentie samenwerken. Inspirerend om deze ontwikkeling van dichtbij mee te maken.”