Veelgestelde vragen
Heb je een vraag over het leraarschap, het onderwijsaanbod, of over (opnieuw) starten in het onderwijs? Kijk dan of het antwoord op jouw vraag hier tussen staat. We hebben de meest gestelde vragen voor je op een rij gezet.
Arbeidsvoorwaarden
Fulltime werk wordt ook wel voltijd werk genoemd. Fulltime is een term die over het algemeen wordt gebruikt om aan te duiden om wat voor soort functie het gaat in het kader van tijdsbestek dat men werkt.
Hierbij wordt gekeken naar een werkweek. Iemand die fulltime werkt heeft een dienstverband van 36 tot 40 uur per week. Fulltime wordt in verschillende vormen gebruikt.
Zo spreekt men wel van een fulltime baan of fulltime job. Daarnaast wordt iemand die fulltime werkt ook wel fulltime genoemd.
Parttime werk wordt ook wel deeltijd werk genoemd. Parttime is een term die over het algemeen wordt gebruikt om aan te duiden om wat voor soort functie het gaat in het kader van tijdsbestek dat men werkt.
Hierbij wordt gekeken naar een werkweek. Iemand die parttime werkt heeft een dienstverband van 12 tot 36 uur per week. Parttime wordt in verschillende vormen gebruikt.
Zo spreekt men wel van een parttime baan of parttime job. Daarnaast wordt iemand die parttime werkt ook wel een parttimer genoemd.
Wat je verdient, hangt af van het soort onderwijs waarin je werkt (basis-, voortgezet of mbo) en van je ervaring. Leraren hebben ook recht op vakantiegeld, een eindejaarsuitkering en veel vakantiedagen. Wil je weten wat het salaris precies is? Bekijk dan de actuele salaristabellen op de website van de Rijksoverheid.
Bevoegdheid
Ja, om zelfstandig les te geven heb je een onderwijsbevoegdheid nodig. Die haal je via een erkende lerarenopleiding.
In het voortgezet onderwijs zijn er twee vormen van bevoegdheid: eerste- en tweedegraads.
- Met tweedegraads bevoegdheid mag je lesgeven aan het praktijkonderwijs, het vmbo en de onderbouw van havo en vwo. Je mag ook lesgeven aan het speciaal onderwijs en het mbo.
- Met een eerstegraads bevoegdheid mag je hiernaast lesgeven aan de bovenbouw van de havo en het vwo. Je hebt dus meer mogelijkheden dan bij een tweedegraads bevoegdheid.
Beide bevoegdheden gelden alleen voor het vak waarvoor je de bevoegdheid gehaald hebt. Ben je bevoegd wiskundedocent, dan mag je niet zomaar geschiedenisles geven.
Nee, dat is niet mogelijk.
Je mag wel lesgeven in het speciaal voortgezet onderwijs en op het praktijkonderwijs.
Je pabodiploma heeft wel voordelen als je je bevoegdheid wilt behalen voor het voortgezet onderwijs:
- Je mag lesgeven in de praktijk en je bevoegdheid halen combineren.
- Je kunt een verkort opleidingstraject volgen, dit heet opscholen.
- Als je kiest voor de reguliere lerarenopleiding, kan je vrijstellingen krijgen voor sommige (didactische) vakken.
Als je met een buitenlandse opleiding wilt lesgeven in Nederland, moet je erkenning van jouw buitenlandse opleiding aanvragen.
Met die erkenning kan je lesgeven in het basis-, voortgezet- en middelbaar beroepsonderwijs onderwijs. Met een erkenning kan je een permanente onderwijsbevoegdheid in Nederland krijgen.
Daarna beoordeelt de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) jouw buitenlandse diploma('s). Zijn er grote verschillen tussen de buitenlandse opleiding en de Nederlandse opleiding? Dan kan DUO jou een toets opleggen of een aanpassingsstage aanbieden.
Herintreden
Je kunt als herintreder je bevoegdheid opfrissen voordat je weer gaat lesgeven. Dit kan je combineren met een leuke baan voor de klas. Ook voor zij-instromers zijn er trajecten, zowel voor het primair, voortgezet als middelbaar beroepsonderwijs.
Ja, als je bevoegd bent. Twijfel je? Kies dan voor een opfriscursus of coaching.
Vaak krijg je begeleiding van een coach of mentor en kun je trainingen volgen om weer in het vak te komen.
Ja, sommige scholen bieden de mogelijkheid om (deels) te werken en tegelijk bij te scholen.
Je ondersteunt één dag per week een leraar of groep leerlingen, zonder dat je zelfstandig voor de klas staat.
Middelbaar beroepsonderwijs
Om les te geven in het mbo moet je beschikken over een eerste- of tweedegraads onderwijsbevoegdheid (of een daaraan gelijkstaande opleiding). Met een onderwijsbevoegdheid voor het voortgezet onderwijs mag je in principe ook lesgeven in het mbo. In het mbo bestaan echter geen wettelijk voorgeschreven bevoegdheden per vak; het bevoegd gezag van de mbo-school bepaalt of iemand vakinhoudelijk bekwaam is voor het vak dat hij of zij wil geven.
Je kunt ook lesgeven in het mbo als je beschikt over een pedagogisch-didactisch getuigschrift (PDG) in combinatie met een geschiktheidsverklaring van het bevoegd gezag van de school.
Nascholing
Veel schoolbesturen hebben een eigen academie of interne opleidingsmogelijkheden. Ook zijn er verschillende kansen voor leraren om zich bij te scholen. Vraag bij jouw werkgever (het schoolbestuur) na wat de mogelijkheden zijn.
Opleidingen
Wie in het onderwijs wil werken, kan kiezen uit een voltijd of een deeltijd studie. Kies je voor voltijd, dan ben je een volledige werkweek met je studie bezig. Houd rekening met veertig uur studie per week. Je hebt recht op studiefinanciering.
Wie kiest voor deeltijd, gaat vaak in de avonduren of in het weekeinde naar de hogeschool of universiteit. De meeste deeltijdstudenten combineren hun studie met een baan.
De studie en je baan kunnen aansluiten op elkaar, maar dat hoeft niet per sé. Je hebt dan geen recht op studiefinanciering, maar er zijn wel andere studiebeurzen beschikbaar, zoals de tegemoetkoming leraren.
Primair onderwijs
Primair onderwijs omvat basisscholen en speciaal onderwijs en is bedoeld voor kinderen van 4 tot en met 12 jaar.
Voor deze leerlingen geldt de leerplicht. Speciaal onderwijs is bedoeld voor leerlingen met gedrags- of leerproblemen waardoor ze onvoldoende ondersteund kunnen worden op de reguliere basisschool.
Jenaplanonderwijs hoort bij het traditionele vernieuwingsonderwijs.
In het jenaplanonderwijs krijgen kinderen de ruimte zich zo breed mogelijk te ontwikkelen. Kinderen mogen verschillend zijn. Het doel is dat de kinderen van de verschillen en van elkaar leren en dat ze verschillen leren respecteren.
Het jenaplanonderwijs is gericht op de opvoeding van kinderen en omvat daarom veel meer dan het aanleren van de standaard schoolse kennis en vaardigheden als lezen, schrijven en rekenen.
Kinderen leren in een jenaplanschool veel door deel te nemen aan de zogenaamde basisactiviteiten, spreken/communiceren, spelen, werken en vieren.
Op jenaplanscholen worden hoge eisen gesteld aan stamgroepleiders, bijvoorbeeld op het gebied van klassenmanagement.
Montessorionderwijs hoort bij het traditionele vernieuwingsonderwijs.
In het montessorionderwijs wordt ervan uitgegaan dat kinderen van nature nieuwsgierig zijn en een natuurlijke drang hebben om zichzelf te ontplooien.
Kinderen die Montessorionderwijs volgen, hebben weinig tot geen klassikale lessen. De leerlingen krijgen taken die ze op een bepaald tijdstip op de dag of in de week af moeten hebben.
In een klas op een montessorischool zitten altijd leerlingen van drie leeftijdsgroepen bij elkaar. Volgens Montessori bevordert dit een harmonische ontwikkeling: een kind is eerst de jongste, dan de middelste en tenslotte de oudste van de klas.
In het montessorionderwijs maken leerlingen gebruik van speciaal ontwikkelde leermaterialen, die afgestemd zijn op verschillende leeftijden en ontwikkelingsfasen.
Daltononderwijs hoort bij het traditionele vernieuwingsonderwijs.
Op daltonscholen ligt de focus op drie kernwaarden: vrijheid in gebondenheid, zelfstandigheid en samenwerking. Binnen het daltononderwijs wordt gewerkt aan brede vorming van de leerling.
Leerlingen op een daltonschool krijgen veel vrijheid, maar deze vrijheid is niet onbegrensd. Om zelfstandig te kunnen leren hebben leerlingen vrijheid nodig. Docenten geven wel de grenzen aan waarbinnen leerlingen kennis en ervaring kunnen opdoen.
In het daltononderwijs wordt in het leerprogramma naast de wettelijke kerndoelen rekening gehouden met de behoeften, interesses en competenties van de leerlingen.
Het dagprogramma op daltonscholen bestaat voor een groot deel uit verplichte lesstof, de leraar geef instructie en de leerlingen voeren taken uit.
Naast de standaard lesbevoegdheid die nodig is om les te geven op een basisschool is een 'montessoridiploma' vereist om les te mogen geven op een montessorischool.
Sommige docenten of leerkrachten halen dit diploma tegelijk met hun ‘algemene’ diploma aan een dagopleiding. Anderen weten hun montessoridiploma achteraf te behalen door middel van een avondopleiding of ze hebben hun diploma in het buitenland gehaald.
Iedere school, ook al vallen ze onder eenzelfde schoolbestuur, heeft een eigen karakter en onderwijsvisie. De scholen die onder een schoolbestuur vallen, hebben eenzelfde identiteit.
Er zijn openbare, protestant-christelijke, rooms-katholieke scholen en scholen op algemeen bijzondere grondslag. Daarnaast geven scholen les vanuit een bepaalde onderwijskundige visie, overtuiging en pedagogische grondslag.
In Flevoland zijn bijvoorbeeld montessori-, dalton-, en Jenaplanscholen. Maar ook ecologische scholen, ICT- en sterrenscholen. Er zijn scholen die klassikaal werken en scholen die werken met een vorm van unitonderwijs.
Solliciteren
Fte betekent fulltime-equivalent. Het is het officiële meetmiddel waarmee de omvang van een functie of de personeelssterkte kan worden uitgedrukt.
Eén fte is een volledige werkweek. Een functie van 0,6 fte bijvoorbeeld is – uitgaande van een werkweek van 38 uur – een functie van 0,6 x 38 = 22,8 uur.
In principe zijn alle vacatures op Flevowijs beschikbaar voor zij-instromers, tenzij expliciet vermeld staat dat dit niet het geval is.
Een sollicitatiegesprek voor een baan in het onderwijs zit nagenoeg hetzelfde in elkaar als andere sollicitatiegesprekken.
Je toekomstige werkgever zal van je willen weten of je over de juiste vaardigheden, ervaring en persoonlijkheid beschikt. Omdat je met leerlingen werkt zal er zeker ook aandacht besteed worden aan je pedagogische en didactische vaardigheden.
Ook kan je vragen verwachten die specifiek zijn voor de functie als docent. Bekijk de onderstaande voorbeelden goed. Vaak worden één of meer van deze vragen gesteld als je in het onderwijs solliciteert:
Wat weet je van de school?
Het is belangrijk dat jij je goed verdiept in de school waar jij voor solliciteert:
- wat is de grondslag van de school?
- wat voor onderwijssysteem wordt er gehanteerd?
- hoeveel leerlingen zitten er op de school?
- wat is de achtergrond van deze leerlingen?
- hoe groot zijn de klassen?
Begin eens met de website van de school te bekijken, maar zoek ook even verder wat er nog op internet over deze school te vinden is.
Waarom wil je op deze school werken?
Misschien weet je al door je eigen achtergrond of stageplekken dat je graag op een bepaald soort school wilt werken. Als je je goed hebt voorbereid op de voorgaande vraag, dan weet je vast wel te benoemen wat je zo aanspreekt aan de school waar je voor solliciteert, of dat nu de grondslag is, het onderwijssysteem, het type leerlingen, de buitenschoolse activiteiten of de sfeer in het team.
Wat voor soort leraar ben jij?
Deze vraag wordt gesteld om meer over jou en je manier van lesgeven te weten te komen. Je kunt als antwoord iets over jouw lesmethoden vertellen. Als iemand binnenloopt, is de kans dan groot dat jij voor de klas staat en uitleg geeft of zijn de leerlingen in groepjes opdrachten aan het uitwerken?
Je kunt ook iets vertellen over de inrichting van je lokaal. Hoe wil jij graag dat dat er uit ziet?
Wat zijn je sterkste en zwakste kanten als docent?
Met je sterke kanten probeer je jezelf natuurlijk te verkopen aan de school. Wat die precies zijn is natuurlijk voor iedereen anders. Je kunt denken aan structuur aanbrengen in een rommelige klas, zwakke leerlingen extra begeleiden, lesplannen maken of op een goede wijze communiceren met ouders.
Als zwakke kant moet je niet iets te groots noemen dat onoplosbaar lijkt. Noem liever iets kleiners en zeg dat je er aan werkt om het op te lossen. Dat kan dan zo iets zijn, dat het je nog niet altijd lukt om de lesstof binnen de beschikbare tijd te behandelen.
Wat doe je als een leerling de les continu onderbreekt?
Met een antwoord op deze vraag kan je je pedagogische kwaliteiten tonen. Je hebt zo’n situatie vast wel eens mee gemaakt.
Denk niet dat je toen alles in je eentje opgelost moet hebben. Zeg ook iets over samenwerking met collega’s, de ouders of externe deskundigen.
Je kunt vervolgvragen hierop verwachten die gaan over wat je er van geleerd hebt en wat je nu in een vergelijkbare situatie anders zou doen.
Hoe betrek je de ouders bij de prestaties van hun kind?
Bij deze vraag gaat het niet om je didactische of pedagogische kwaliteiten, maar om communicatie. Vertel hoe er in je huidige baan of tijdens je stage met ouders gecommuniceerd wordt of werd en vertel hoe jij dit zelf ervaren hebt.
Welke vormen van communicatie vind jij zelf prettig en welke vormen vind jij niet goed werken? Geef een of meer voorbeelden van communicatie met ouders over de leerprestaties van hun kind.
Noem daarbij geen namen van de leerlingen of ouders, ook geen voornamen, en neutraliseer de feiten.
In het onderwijs speelt altijd heel veel. De sollicitatiecommissie zal graag willen weten of jij de ontwikkelingen volgt en of je je daar ook een mening over vormt.
Er kan dan ook zo maar naar je mening over een actuele kwestie gevraagd worden. Dat kan een vierdaagse schoolweek door het lerarentekort zijn, een actueel rapport over dyslexie of een nieuwe lesmethode.
Zorg dus dat je op de hoogte bent van de laatste ontwikkelingen in het vakgebied en dat je hier over mee kunt praten.
Speciaal onderwijs
Als leerlingen niet terecht kunnen op een reguliere basis- of middelbare school vanwege een handicap, leer- of gedragsproblemen, dan kunnen ze naar het speciaal onderwijs.
Het speciaal onderwijs is onderverdeeld in vier clusters:
Cluster 1: blind of slechtziend
Cluster 1 bestaat uit visueel gehandicapte kinderen of meervoudig gehandicapte kinderen met een visuele handicap.
Cluster 2: doof of slechthorend
Cluster 2 bestaat uit dove of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige communicatiemoeilijkheden of meervoudig gehandicapte kinderen die een van deze handicaps hebben.
Cluster 3: gehandicapt of langdurig ziek
Cluster 3 bestaat uit lichamelijk gehandicapte kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK) en langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, of meervoudig gehandicapte kinderen.
Cluster 4: stoornissen en gedragsproblemen
Cluster 4 bestaat uit zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK), kinderen met gedrags- en/of psychiatrische stoornissen.
Voor leerlingen in clusters 1 en 2 is het onderwijs niet georganiseerd via de regionale samenwerkingsverbanden, maar door een aantal landelijke organisaties. Deze landelijke instellingen bepalen zelf wanneer een leerling naar een speciale school gaat.
Kerndoelen
Speciaal onderwijs focust zich op het aanbieden van onderwijs en ondersteuning aan leerlingen wat een kind aan het eind van een reguliere basisschool of middelbare school zou moeten kennen en kunnen.
Er zijn wel een aantal aangepaste doelen voor deze leerlingen. Dove en slechthorende leerlingen moeten bijvoorbeeld op een bepaald niveau de Nederlandse gebarentaal beheersen. En blinde en slechtziende leerlingen moeten zich bijvoorbeeld zelfstandig kunnen bewegen met een stok.
ADHD is een aangeboren en erfelijke afwijking van kleine onderdelen van de hersenen.
Personen met ADHD kunnen zich moeilijk concentreren, zijn overmatig energiek, raken snel afgeleid, maken ondoordacht beslissingen en gaan (te) snel over tot actie.
ADHD zonder hyperactiviteit wordt ook wel ADD genoemd.
Leerlingen met ADHD missen veel vaardigheden die nodig zijn in de dagelijkse schoolsituatie. De benodigde vaardigheden ontwikkelen zich bij hen veel langzamer. Docenten moeten zich weten aan te passen aan deze leerlingen, zowel op organisatorisch als op didactisch gebied.
Als docent omgaan met ADHD-leerlingen
Het is belangrijk om te weten dat de kenmerken van ADHD niet per definitie duiden op een diagnose. Er zijn kenmerken van ADHD die ook voorkomen bij personen zonder ADHD.
Kenmerken van ADHD
- Kinderen met ADHD zijn beweeglijk en kunnen heel moeilijk op hun plaats blijven zitten.
- Als ze op hun plek zitten, wriemelen ze nog met allerlei spullen en zitten te wiebelen.
- Het zijn vaak drukke praters en roepen voor hun beurt.
- Deze kinderen dringen zich vaak op in het spel van andere kinderen (verstoren dat dus).
- Ze missen een deel van je instructie, doordat ze hun aandacht er niet lang bij hebben.
- Ze vermijden of hebben een afkeer van taken die langdurige geestelijke inspanning vereisen.
- Vaak hebben ze moeite met automatiseren, door een matig werkgeheugen.
- Ze hebben vaak “ongelukjes”.
- Deze kinderen zijn vaak gauw gefrustreerd als iets niet lukt.
- Ze hebben een slechtere emotieregulatie.
- Deze kinderen reageren vaak primair, doordat ze minder interne spraak hebben.
- Hun innerlijke motivatie om door te werken aan iets, is kleiner dan bij andere kinderen.
- Kinderen met ADHD zijn vaak op zoek naar sterke prikkels (thrillseeking behaviour).
- Deze kinderen hebben moeite met “tijd”. Ze schatten de tijd om iets te doen, vaak te kort.
Er is pas sprake van een ‘stoornis’ als het gedrag ernstige belemmeringen oplevert in het dagelijks leven, waardoor een kind vastloopt.
Kinderen met ADHD benaderen
Als docent kan je enkele algemene tips aanhouden om leerlingen met ADHD te benaderen:
- Vertel wat je verwacht, benoem het gewenste gedrag.
- Geef het kind de ruimte om te bewegen.
- Spreek samen een teken af, waarmee je het kind onopvallend kunt herinneren aan de afspraak.
- Help het kind structuur aanbrengen; maak stappenplannen en verdeel het werk in kleine stapjes.
- Zorg voor een rustige werkplek en leer het kind die plek op te ruimen voordat hij of zij aan een nieuwe taak begint.
- Maak steeds opnieuw afspraken voor vrije situaties, want ze vergeten de afspraken snel.
Samenwerking tussen de betrokkenen
Samenwerking tussen school en ouders is een absolute noodzaak in de ondersteuning van een kind met ADHD. Uit onmacht over de problemen met het kind kunnen ouders en school soms onrealistische verwachtingen van elkaar hebben.
Zowel leerkrachten als de ouders kunnen van een kind met ADHD een rustig en geconcentreerd kind maken. Het is belangrijk zich dat van beide kanten te realiseren.
Het is verstandig aan het begin van het schooljaar een aantal concrete afspraken te maken. Ouders en leerkrachten kunnen hiertoe allebei het initiatief nemen. Eventueel kan een hulpverlener, via de intern begeleider, bemiddelen in het contact met school.
Autisme is de verzamelnaam voor gedragskenmerken die duiden op een kwetsbaarheid op de volgende gebieden: sociale interactie, communicatie, flexibiliteit in denken en handelen en het filteren en integreren van informatie.
Personen met autisme verwerken informatie op een andere manier in de hersenen dan mensen zonder autisme. Dit geldt nadrukkelijk óók voor informatie die binnenkomt via de zintuigen.
Veel personen met autisme hebben te maken met sensorische over- of ondergevoeligheid.
Voor leerlingen met autisme is vaak ondersteuning op maat nodig. Autisme uit zich bij iedereen weer anders, en er zijn geen standaard oplossingen. Ruimte voor leerlingen om zich op hun eigen tempo en in hun eigen volgorde te ontwikkelen, is extra belangrijk voor leerlingen met autisme.
Kenmerken van autisme
- Problemen op sociaal gebied/minder goed ontwikkelde sociale intuïtie
- Moeite met (onverwachte) verandering
- Dingen heel letterlijk nemen
- Moeite met het bewaren van overzicht
- (Ogenschijnlijk) geen interesse voor anderen tonen
- Over- of juist ongevoelig voor zintuiglijke prikkels
- Heel intensief bezig zijn met een beperkt aantal onderwerpen
- Hyperfocus
- Voorkeur voor een op een-contact
- Tragere informatieverwerking
Er is pas sprake van een ‘stoornis’ als het gedrag ernstige belemmeringen oplevert in het dagelijks leven, waardoor een persoon vastloopt.
Kinderen met autisme benaderen
- Wees duidelijk in gesprekken en vermijd sarcasme.
- Communiceer 1 ding/onderwerp tegelijkertijd.
- Gebruik korte zinnen.
- Als je vragen stelt, doe dan dan kort en bondig.
- Wees voorspelbaar. Mensen met autisme houden van die regelmaat.
- Als je wat gaat ondernemen, leg dan stap voor stap uit wat er gaat gebeuren. Dat geeft overzicht en structuur. Check eventueel bij de ander of die begrepen heeft wat er gaat gebeuren.
- Verandert er iets in een planning, geef dit dan op tijd aan.
- Stel duidelijke regels.
Als docent omgaan met autistische leerlingen
Het is belangrijk om te weten dat de kenmerken van autisme niet per definitie duiden op een diagnose. Er zijn kenmerken van autisme die ook voorkomen bij personen zonder autisme.
Kenmerken van autisme komen bijna bij alle mensen in meer of mindere mate voor. Zo vinden veel mensen het prettig om vaste routines aan te houden of om zich langere tijd intensief met één onderwerp bezig te houden. Ook problemen op sociaal gebied zijn veel mensen niet vreemd.
Samenwerking tussen de betrokkenen
Samenwerking tussen school en ouders is een absolute noodzaak in de ondersteuning van een kind met autisme. Uit onmacht over de problemen met het kind kunnen ouders en school soms onrealistische verwachtingen van elkaar hebben.
Zowel leerkrachten als de ouders kunnen van een kind met autisme een empatisch en benaderbaar kind maken. Het is belangrijk zich dat van beide kanten te realiseren.
Het is verstandig aan het begin van het schooljaar een aantal concrete afspraken te maken. Ouders en leerkrachten kunnen hiertoe allebei het initiatief nemen. Eventueel kan een hulpverlener, via de intern begeleider, bemiddelen in het contact met school.
Dyslexie is een complex leerprobleem op het gebied van lezen en spelling.
Mensen met dyslexie hebben moeite met lezen, spellen en/of schrijven, ongeacht de leeftijd en het onderwijsniveau. Dit staat los van de algehele intelligentie.
Als docent omgaan met dyslectische leerlingen
Als er vanuit de docent, ouder of leerling het vermoeden aanwezig is dat een leerling eventueel dyslectisch is, dan kan de school een verwijsbrief maken voor een dyslexie test.
Kenmerken van dyslexie
- Moeite met snel lezen (in verhouding tot klasgenoten)
- Moeite met nauwkeurig lezen (in verhouding tot klasgenoten)
- Moeite met het herkennen van letters en klanken en het opschrijven ervan
- Moeite met woordvinding (meer tijd nodig om op woorden te komen)
- Probeert vaak lezen zoveel mogelijk te vermijden omdat het zoveel inspanning kost
- Moeite met het spellen van woorden en veel herhaling nodig bij het aanleren van spellingregels.
Kinderen met dyslexie ondersteunen
- Blijf positief en neem dyslectische leerlingen serieus.
- Ga samen op zoek naar de leerstrategie die het beste bij de leerling past. Denk bijvoorbeeld aan overhoren, een mindmap of een samenvatting maken.
- Blijf geduldig en begripvol: een leerling met dyslexie doet vaak ontzettend zijn best, toch lukt het dan nog niet altijd.
- Noteer het huiswerk op het bord. Voor dyslectische leerlingen is het handig als ze een tekst over kunnen schrijven. Veeg aantekeningen op het bord niet te snel weg.
- Spreek een leerling met dyslexie niet ten overstaan van de groep aan, doe dit altijd persoonlijk.
- Leg minder focus op spellingfouten bij niet-talige vakken.
Herken dyslexie op tijd zodat er onderzoek gedaan kan worden. Ga meteen in gesprek met de leerling wanneer je merkt dat er lees- of spellingproblemen zijn.
Laat je goed informeren over dyslexie door bijvoorbeeld het volgen van een cursus. Dyslectische kinderen hebben meer nodig dan alleen het vergroten van teksten en het geven van meer tijd voor toetsen.
Starten in het onderwijs
Het is belangrijk om je goed te oriënteren. Lees en bekijk de verhalen van onze ambassadeurs of doe de test.
Welke leeftijdsgroepen spreken jou het meeste aan: kinderen van 4-12, 12-18 jaar of 16-plussers?
Zo ontdek je wat het beste bij je past: primair, voortgezet of middelbaar beroepsonderwijs.
Ja, om zelfstandig les te geven heb je een onderwijsbevoegdheid nodig. Die haal je via een erkende lerarenopleiding.
In het voortgezet onderwijs zijn er twee vormen van bevoegdheid: eerste- en tweedegraads.
- Met tweedegraads bevoegdheid mag je lesgeven aan het praktijkonderwijs, het vmbo en de onderbouw van havo en vwo. Je mag ook lesgeven aan het speciaal onderwijs en het mbo.
- Met een eerstegraads bevoegdheid mag je hiernaast lesgeven aan de bovenbouw van de havo en het vwo. Je hebt dus meer mogelijkheden dan bij een tweedegraads bevoegdheid.
Beide bevoegdheden gelden alleen voor het vak waarvoor je de bevoegdheid gehaald hebt. Ben je bevoegd wiskundedocent, dan mag je niet zomaar geschiedenisles geven.
Wat je verdient, hangt af van het soort onderwijs waarin je werkt (basis-, voortgezet of mbo) en van je ervaring. Leraren hebben ook recht op vakantiegeld, een eindejaarsuitkering en veel vakantiedagen. Wil je weten wat het salaris precies is? Bekijk dan de actuele salaristabellen op de website van de Rijksoverheid.
Sommige opleidingen leiden op voor lesgeven aan de onderbouw van de middelbare school (bijvoorbeeld vmbo, klas 1 t/m 3). Wil je later ook examenklassen of havo/vwo-bovenbouw lesgeven? Dan heb je een uitgebreidere opleiding nodig.
Ja, er zijn plannen om de pabo op te splitsen in twee aparte routes: één voor de onderbouw (groep 1 t/m 4, inclusief kleuters) en één voor de bovenbouw (groep 5 t/m 8). Het idee is dat je straks kunt kiezen welk deel van de basisschool het beste bij jou past. Deze verandering is nog in ontwikkeling, dus hoe en wanneer dit precies wordt ingevoerd, verschilt per opleiding. Twijfel je? Vraag ernaar tijdens een open dag of bij de opleiding zelf.
Ja, dat kan! Na je mbo-opleiding kun je naar de pabo of een lerarenopleiding. Soms kun je een verkort traject volgen, afhankelijk van je vooropleiding.
De pabo is voor het basisonderwijs (groep 1 t/m 8). Een lerarenopleiding (hbo of universiteit) leidt je op voor een specifiek vak in het voortgezet onderwijs.
Voortgezet onderwijs
Het voortgezet onderwijs is het onderwijs dat leerlingen na de afronding van het primaire onderwijs volgen. Een school waar voortgezet onderwijs aangeboden wordt heet een middelbare school.
Leerlingen vanaf ongeveer 12 jaar gaan naar de middelbare school. Het voorgezet onderwijs duurt vier, vijf of zes jaar, afhankelijk van welk niveau voortgezet onderwijs de leerling volgt. Leerlingen zijn normaal gesproken tussen de 16 en 18 jaar oud wanneer zij hun voortgezet onderwijs afronden.
Het voortgezet onderwijs (VO) is bedoeld voor leerlingen die de basisschool hebben afgerond.
Het voortgezet onderwijs kent de volgende vormen:
- praktijkonderwijs (4 jaar)
- vmbo (4 jaar)
- havo (5 jaar)
- atheneum (6 jaar)
- gymnasium (6 jaar)
- wo (6 jaar)
Middelbare scholen verschillen van elkaar in het aanbod van deze niveaus en zijn daarnaast in te delen in openbare scholen en bijzondere scholen.
Het praktijkonderwijs is het laagste niveau voortgezet onderwijs. Het praktijkonderwijs is bedoeld voor leerlingen voor wie het behalen van een diploma in een van de leerwegen van het vmbo te hoog gegrepen is.
In het praktijkonderwijs worden leerlingen onderwezen in zaken als zelfstandig wonen en werken en invulling van burgerschap en vrije tijd.
Er is in dit type onderwijs geen vastgesteld aantal jaren vastgesteld, maar er bestaat een leeftijdsgrens van 18 jaar.
Ruim 60 procent van de basisschoolleerlingen volgt een middelbare school op voortgezet middelbaar beroepsonderwijs (vmbo)- niveau.
Het vmbo duurt vier jaar en wordt afgesloten met een staatsexamen. Leerlingen met een vmbo-diploma kunnen doorstromen naar het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) of naar de havo.
Er zijn vier leerwegen binnen het vmbo:
- de basisberoepsgerichte leerweg (bbl)
- de kaderberoepsgerichte leerweg (kbl)
- de gemengde leerweg (gl)
- de theoretische leerweg (tl)
Elke leerweg is onderverdeeld in vier sectoren:
- Economie
- Techniek
- Landbouw
- Zorg en Welzijn
Elke sector heeft een eigen afdeling en vakkenpakket. Leerlingen kiezen na het tweede jaar een persoonlijke leerweg, sector en afdeling.
De gekozen leerweg biedt vakken die de leerlingen naast de verplichte vakken, zoals Nederlands en Engels, moeten volgen.
De gemengde leerweg (gl) is een opleidingsrichting binnen het vmbo. Deze leerweg is bedoeld voor leerlingen die op zich weinig moeite hebben met studeren, maar zich ook al gericht willen voorbereiden op bepaalde beroepen.
Er kan na de opleiding gekozen worden voor een ambacht binnen de gekozen specialisatie zonder verdere opleiding uitgeoefend worden, maar meestal kiezen leerlingen er voor om nog een verdere (beroepsgerichte)opleiding te doen voordat ze gaan werken.
In deze leerweg volgen leerlingen over het algemeen 1 avo-vak minder. In plaats daarvan krijgen ze 4 uur beroepsgericht onderwijs.
Bij de gemengde leerweg wordt examen gedaan in vijf theorievakken en een beroepsgericht vak.
In Flevoland zien we vooral een tekort voor de vakken Nederlands, Engels (eerstegraads) en de technische vakken.
Landelijk kennen ook informatica, wiskunde, scheikunde, natuurkunde, Duits, Frans en klassieke talen een tekort. Het tekort kan per school en per tijdvak verschillen.
De kaderberoepsgerichte leerweg (kblw) is een opleidingsrichting binnen het vmbo. Deze richting is bestemd voor leerlingen die het liefst kennis opdoen door met praktijk bezig te zijn.
Er kan na de opleiding gekozen worden voor een ambacht binnen de gekozen specialisatie zonder verdere opleiding uitgeoefend worden, maar meestal kiezen leerlingen er voor om nog een verdere (beroepsgerichte)opleiding te doen voordat ze gaan werken.
In deze leerweg volgen leerlingen zo’n 12 uur beroepsgericht onderwijs. De avo-vakken zijn van een iets lager niveau dan in de gemengde en de theoretische leerweg.
Leerlingen volgen gemiddeld 12 uur per week een beroepsgericht programma en doen examen in 4 avo-vakken. Een diploma kaderberoepsgerichte leerweg geeft toegang tot een mbo-opleiding niveau 3 en 4.
De theoretische leerweg (vmbo-t) is een opleidingsrichting binnen het vmbo. Deze leerweg is bedoeld voor leerlingen die weinig moeite met leren hebben en die zich nog niet willen voorbereiden op een specifieke opleiding.
Er kan na de opleiding gekozen worden voor een ambacht binnen de gekozen specialisatie zonder verdere opleiding uitgeoefend worden, maar meestal kiezen leerlingen er voor om nog een verdere (beroepsgerichte)opleiding te doen voordat ze gaan werken.
In deze leerweg volgen leerlingen over het algemeen alleen algemeen vormende (avo-) vakken.
Bij de theoretische leerweg wordt examen gedaan in zes theorievakken.
De basisberoepsgerichte leerweg (bbl) is een opleidingsrichting binnen het vmbo. Deze richting is bestemd voor leerlingen die meer op de praktijk zijn ingesteld.
Er kan na de opleiding gekozen worden voor een ambacht binnen de gekozen specialisatie zonder verdere opleiding uitgeoefend worden, maar meestal kiezen leerlingen er voor om nog een verdere (beroepsgerichte)opleiding te doen voordat ze gaan werken.
De leerlingen doen examen in vier algemene vakken en een beroepsgericht vak.
Het examenprogramma voor deze leerweg is minder uitgebreid dan die van de andere leerwegen binnen het vmbo en dus ook minder zwaar.
Zij-instromen
Het Pedagogisch Didactisch Getuigschrift (PDG) is nodig als je in het mbo wilt lesgeven en al vakspecialist bent. Het traject duurt meestal twee jaar en combineert werken en leren, zodat je je onderwijsbevoegdheid behaalt
Het geschiktheidsonderzoek voor zij-instromers is erop gericht om vast te stellen of mensen van buiten het onderwijs geschikt zijn om als leerkracht in het primair onderwijs te werken.
Het gaat om het vaststellen van eerder verworven competenties (EVC) en of deze in voldoende mate direct inzetbaar zijn voor de klas, al dan niet met aanvullende scholing.
Onderdelen geschiktheidsonderzoek
Het geschiktheidsonderzoek bestaat uit zeven onderdelen:
Reken- en taaltoets
Het geschiktheidsonderzoek begint met een eigenvaardigheidstoets voor rekenen. Om onderwijs te kunnen geven in het primair onderwijs, wordt de eigen vaardigheid voor rekenen voorwaardelijk geacht.
Daarnaast wordt er gekeken naar mondelinge en schriftelijke vaardigheid in de Nederlandse taal.
Portfolio
Dit onderdeel dient ervoor om alle relevante leer- en werkervaringen en de daarbij verworven bekwaamheden uit het voormalige werkleven vast te leggen. Het portfolio is een document waarin gegevens (bewijzen) genoteerd en materialen bijgevoegd kunnen worden om aan te tonen aan welke bekwaamheidseisen je al voldoet.
Schriftelijke beroepspraktijkgerichte opdrachten
Bij dit onderdeel doe je een aantal schriftelijke opdrachten die gericht zijn op het ontwikkelen van lessen voor het vak en het voeren van gesprekken. Daarnaast analyseer je een aantal door leerlingen gemaakte opdrachten en bedenk je welke vervolghandelingen door de leraar gedaan kunnen worden.
Criteriumgericht interview
Bij dit onderdeel vindt er een interview plaats waarbij er vragen gesteld worden naar aanleiding van het ingeleverde portfolio en de gemaakte praktijkgerichte opdrachten. Ook zullen er vragen gesteld worden over jouw visie op het jouw beoogde beroep in het onderwijs.
Praktijkles
In dit onderdeel verdiep jij je in de lesvoorbereiding, de lesuitvoering en de zelfreflectie op de les.
Het gaat om het uitvoeren van een les in een werkelijke klassensituatie op een basisschool. Het is de bedoeling dat je je goed voorbereidt en over de les contact hebt met de desbetreffende groepsleerkracht.
Reflectiegesprek
Na de praktijkles volgt een reflectiegesprek. Dit gesprek heeft twee doelstellingen. Ten eerste wordt je reflectie op de les gevraagd en vergeleken met de observatie van de assessoren. Daarnaast zullen de assessoren vragen stellen met het oog op het vinden van bewijs voor nog niet aangetroffen bekwaamheden.
Beoordeling en advies
Het laatste onderdeel bestaat uit de beoordeling en de uitwerking van bevindingen in een rapportage, plus het advies van de assessoren. Nadat de rapportage is opgesteld, volgt een gesprek waarin door de assessoren een toelichting op de beoordeling aan de kandidaat wordt gegeven.
Eindbeoordeling en rapportage
Na afloop krijg je direct een mondelinge terugkoppeling op het assessment. Binnen tien werkdagen ontvang je ook de bijbehorende rapportage. Bij een positief assessment krijg je een geschiktheidsverklaring Zij-instroom in Beroep.
Je bent een zij-instromer als je van een ander beroep naar onderwijs wilt overstappen. Je bent nog niet bevoegd en wilt die bevoegdheid behalen. Omdat je al veel werkervaring hebt opgedaan, hoef je niet een volledige voltijdstudie te doen.
Je hebt een hbo- of wo-opleiding nodig die relevant is voor het onderwijs. In het voortgezet onderwijs moet je vooropleiding aansluiten bij het vak waarvoor je de bevoegdheid wilt halen.
Heb je een mbo-opleiding? Dan kan je met mbo 4 doorstromen naar het hbo, daar kan je de pabo of de lerarenopleiding voltijd of deeltijd volgen.
Je kunt bij de vacatures kijken of er een baan beschikbaar is die je leuk vindt. Bij het solliciteren, vermeld je dat je de functie wilt doen als zij-instromer.
Je kunt ook contact opnemen met een schoolbestuur waar je graag wilt werken. Binnen het schoolbestuur wordt dan samen met jou gezocht naar een geschikte functie.
Je kunt kiezen voor een voltijd of deeltijd studie. Je kunt ook kiezen voor een versneld leerwerktraject speciaal voor zij-instromers. Je hebt de mogelijkheid om binnen twee jaar je lesbevoegdheid te behalen.
Het traject begint met een aanstelling op een school voor primair, voortgezet of beroepsonderwijs. Je doet een geschiktheidsonderzoek en als de uitkomst positief is, kan je starten. De opleiding combineer je met een baan voor de klas. Je krijgt salaris over de uren die je werkt. In twee jaar tijd rond je het traject af met een bekwaamheidsonderzoek.
Je krijgt een getuigschrift van bekwaamheid en daarmee ben je bevoegd leraar (PO) of docent (VO).
Je hebt een afgeronde hbo- of wo-opleiding nodig die aansluit bij het vak of de sector waarin je les wilt geven. Daarnaast moet er een school zijn die jou in dienst wil nemen en bereid is om het traject samen met jou aan te gaan.
Ja, je bent in dienst bij een school en ontvangt salaris volgens de cao-onderwijs. Je combineert werken en leren: terwijl je je bevoegdheid behaalt, werk je al (deels) als leraar.
Het zij-instroomtraject is altijd een combinatie van werken en leren, meestal in voltijd. Wel kun je soms afspraken maken met je werkgever over het aantal uren, afhankelijk van jouw situatie en de mogelijkheden van de school.
Je kunt oriënteren door met scholen of opleidingen in gesprek te gaan, of door tijdelijk ervaring op te doen als leraarondersteuner of hybride leraar. Zo ontdek je welke doelgroep of sector het beste bij je past.
Rond je het traject niet af, dan vervalt je geschiktheidsverklaring en mag je niet zelfstandig lesgeven. De ervaring en kennis die je hebt opgedaan, kunnen wel waardevol zijn in andere functies binnen of buiten het onderwijs.
Contactgegevens
Flevowijs
Bongerdstraat 1 (Helen Parkhurst)
1326 AA Almere
Volg ons online
Lees de mooiste verhalen en updates uit het onderwijs. Volg ons op social media.